Kies uw kerk

Preek van de week

Bezinning door het jaar - zesde zondag door het jaar C - 15 en 16 februari 2025

OVERWEGING

Val me niet las­tig...

Als mensen op straat langs een arme mens lopen en ze zijn niet van plan die persoon iets te geven, dan hebben ze meestal een redene­ring in hun hoofd: die arme heeft het aan zich­zelf te danken, als ik geld geef gaat dat op aan drank en drugs, hij heeft zijn uitke­ring zeker al opgemaakt, ik heb nu geen tijd, ik moet nodig ver­der, laat hij maar naar het Leger des Heils aan of de zusters van moe­der Teresa, in plaats van mij las­tig te vallen. Zo kunnen mensen denken, maar niemand zou met die arme persoon willen ruilen.

Een dam tegen vluch­te­lingen?

En we horen veel over vluch­te­lingen die naar Neder­land komen en vele mensen vin­den dat een dam moet wor­den opge­wor­pen tegen de komst van al die mensen, al die mensen in hun eigen land moeten blijven, ook al is het daar niet leuk. Alleen als het over goed-geïntegreerde kin­de­ren gaat, willen som­mi­gen wel met de hand over het hart strijken: het kin­derpardon.
Toch zou na­tuur­lijk niemand met zo iemand in diens land van her­komst willen ruilen.

Zalig zijn zij... ?

Maar waarom prijst Jezus vandaag dan de armen zalig en degenen die hon­ger lij­den?
En waarom noemt Hij mensen zalig die verdrie­tig zijn, ver­volgd wor­den en uit­ge­sto­ten? Terwijl daar­en­te­gen wie genoeg te eten hebben, het leuk hebben en waar­de­ring krijgen van de mensen, er in deze toe­spraak van Jezus niet goed van af komen, zo lijkt het:“Wee u”.

Zijn armen beter?

Wat Jezus niet bedoelt te zeggen is dat de arme mensen de goeden zijn en de rijkere mensen de slechten.Onder de leer­lin­gen van Jezus waren ook rijkere personen, zoals de vrouwen die Hem volg­den en uit eigen mid­de­len voor Hem zorg­den (Lc. 8, 3) en Jozef van Arimatea die een graf voor Jezus had gekocht (Lc. 23, 50 vv.). Onder rijke mensen zijn goeden en slechten en onder arme mensen zijn slechten en goe­den.

Armen in hun ellende laten leven?

Wat Jezus ook niet bedoelt te zeggen is dat het wel goed is als mensen arm zijn, hon­ger lij­den, wenen en ver­volgd wor­den en dat je dat maar lekker zo moet laten. “Laat hen maar in ellende leven”: dat bedoelt Hij zeker niet want Hij heeft juist van alles gedaan om de levens­om­stan­dig­heden van mensen te verbe­te­ren: Hij heeft zieken genezen, hon­gerigen te eten gegeven - denk aan de broodvermenig­vul­diging -; Hij heeft het opgeno­men voor mensen die door anderen wer­den uit­ge­sto­ten: de overspelige vrouw, tolle­naars en zon­daars. Dus Jezus bedoelt zeker ook niet te zeggen dat het wel goed is als mensen arm zijn, hon­ger lij­den en ver­volgd wor­den...

Christen zijn is lief­heb­ben

En zo is het ook in heel de ge­schie­de­nis van de Kerk gegaan: onder­wijs, zieken­zorg, armenzorg, het is oor­spron­ke­lijk allemaal opgezet vanuit de Kerk. Je leven aan God toewij­den in het kloosterleven betekende eeuwen­lang dat je andere mensen wilde helpen, niet alleen door voor hen te bid­den, maar ook door concrete zorg voor hen. En dat is bovendien de kern van het chris­ten­dom, voor ieder van ons. We hebben allemaal onze fouten en gebreken, we zijn in die zin zon­dige mensen, maar we weten allemaal don­ders goed dat christen zijn neer­komt op twee dingen, die nauw met elkaar verbon­den zijn: God lief­heb­ben en je naaste lief­heb­ben. Het gaat om de liefde en dan niet een liefde van mooie gevoelens - vol hartjes van Valen­tijns­dag - maar de liefde van concrete inzet, van iets over hebben voor God en de mede­mens. Dat is christen-zijn! Dus Jezus bedoelt hier zeker niet te zeggen dat we de armen maar moeten laten stikken of in hun sop moeten laten gaar koken.

We zijn rijk...

Er is dan ook inder­daad veel inzet geweest van gelo­vi­ge mensen, geïnspireerd door het evan­ge­lie om mede­mensen een beter bestaan te geven. Nu is onze maat­schap­pij rijk gewor­den, veel mensen hebben het goed - zeker, lang niet ieder­een, er zijn nog genoeg problemen onder mensen -. Maar terwijl de rijkdom geko­men is, is het geloof verdwenen. Het leven is voor velen vol en druk, zon­der veel tijd voor re­flec­tie en be­zin­ning en de mensen zijn hun eigen god gewor­den, zij beslissen zelf en niet een Vader in de hemel.. God werd overbo­dig.

Schijnzeker­heid

Toch is dat een schijnzeker­heid. Onze rijkdom en ons geluk zijn ver­gan­ke­lijk, zoals het leven op deze aarde; en we zijn niet in staat ons­zelf leven te geven en dat leven echt te bepalen:morgen kan alles anders zijn.

Anawim

En dat is precies waar het Jezus om gaat in de zalig­spre­kingen en wee-roepen die we hebben gehoord: het gaat om de mensen die in het oude Testa­ment de “anawim” wer­den genoemd, de armen van God. Die armen zijn de mensen die niet vol zijn van zich­zelf, maar als het ware leeg wor­den om vervuld te kunnen zijn van iets groters, om open te staan voor God en de naaste; het zijn mensen die niet zozeer trots zijn, als wel dank­baar en vol ver­trouwen; die niet hun ogen sluiten voor de pijn en het verdriet van mensen, maar open staan en meeleven; die niet vol zijn van al het mate­rië­le dat de wereld ons te bie­den heeft, maar hon­ge­ren en dorsten naar de zin en bete­ke­nis van alles, naar God.

Zalig zijn zij... !

En dat is het eigen­lijk wel: zalig geprezen wordt wie niet zelf voldaan door het leven gaan, niet alleen op zoek zijn naar wat pret­tig is, leuk en fijn, maar willen dienen in een waarde­vol leven voor God en mens.

https://www.arsacal.nl/?p=cont... opmaak bewerkt TS

Schriftlezingen van deze zondag



ZESDE ZONDAG DOOR HET JAAR

EERSTE LEZING          Jer., 17, 5-8

Uit de Profeet Jeremia

Dit zegt de Heer: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die bouwt op een schepsel en zich afkeert van de Heer. Hij is een kale struik in de steppe, nooit ziet hij regen; hij staat in dorre woestijngrond, in een onvruchtbaar gebied, waar niemand woont. Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. Hij is als een boom die aan een rivier staat en wortels heeft tot in het water. Hij heeft geen last van de hitte, zijn blad blijft groen. Komt er een tijd van droogte, het deert hem niet; altijd blijft hij vrucht dragen."

TUSSENZANG  Ps. 1, 1-2 3 4 en 6

Refr: Gelukkig is de man, die op de Heer zijn hoop stelt.

Gelukkig de man die weigert te doen wat goddelozen hem raden; Die niet de wegen der zondaars gaat, niet zit te midden der spotters;

Maar die zijn geluk vindt in 's Heren wet, haar dag en nacht overweegt. Hij is als een boom, aan het water geplant, die vruchten draagt op zijn tijd;

Des zomers verdorren zijn bladeren niet, maar al wat hij doet brengt hem voorspoed. De goddelozen vergaat het zo niet: de wind blaast hen weg als kaf.

De Heer immers let op de weg der gerechten, de weg van de zondaars loopt dood.



TWEEDE LEZING         1 Kor., 15, 12. 16-20

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte

Broeders en zusters, Als wij verkondigen dat Christus uit de doden is opgewekt, hoe kunnen dan sommigen onder u beweren dat er geen opstanding van de doden bestaat? Want als de doden niet verrijzen is ook Christus niet verrezen, en als Christus niet is verrezen is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn verloren. Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd zijn wij de bekla­genswaardigste van alle mensen. Maar zo is het niet! Christus is opgewekt uit de doden als eersteling van hen die ontslapen zijn.

ALLELUIA         Mt., 11,25

Alleluia. Geprezen zijt Gij, Vader van hemel en aarde, omdat gij de geheimen van het koninkrijk aan kinderen geopenbaard hebt. Alleluia.

EVANGELIE     Lc., 6, 17. 20-26

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd daalde Jezus samen met de twaalf van de berg af. Hij bleef staan op een vlak terrein. Daar bevond zich een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land, uit Jeruzalem en uit het kustland Tyrus en Sidon. Hij sloeg nu zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak: “Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods. Zalig die nu honger lijdt, want gij zult verzadigd worden. Zalig die nu weent, want gij zult lachen. Zalig zijt gij wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten en u beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoei­lijks. Als die dag komt, springt dan op van blijdschap, want groot is uw loon in de hemel. Op dezelfde manier behandelden hun voorvaders de profeten. Maar wee u, rijken, want wat u vertroost hebt ge al ontvangen. Wee u, die nu verzadigd zijt, want ge zult honger lijden. Wee u, die nu lacht, want ge zult klagen en wenen. Wee u, wanneer alle mensen met lof over u spreken, want hun voorvaderen deden hetzelfde met de valse profeten.

Archief preken