Kies uw kerk

Preek van de week

2025-02-09. Werp je net van liefde, vrede en gerechtigheid uit

Preek 5de zondag van het jaar, C

          Eerste lezing: Jesaja 6, 1-2a. 3-8
          Tweede lezing: 
1 Korintiërs 15,1-11
          
Evangelie: Lucas 5, 1-11

Beste medegelovigen, mogelijk is het u niet opgevallen, maar in alle drie de lezingen hoorden we iets heel merkwaardigs. “Ik ben een mens met onreine lippen”, hoorden we Jesaja zeggen in de eerste lezing. “Ik ben de minste onder de apostelen”, zegt Paulus in de tweede lezing. “Ik ben een zondig mens”, dat zegt Petrus in het evangelie. Alle drie belijden ze dus hun kleinheid, hun tekorten. Maar ze worden alle drie niet afgewezen, niet verworpen. Integendeel, ze worden overspoeld door Gods liefde en genade. Ze worden opgeroepen om Gods blijde boodschap van vrede, liefde en gerechtigheid uit te dragen.

Jesaja is een van de grootste profeten geworden. En zowel Petrus als Paulus worden beschouwd als de steunpilaren waarop Christus zijn kerk heeft gebouwd. Ik vind dat een hele mooie boodschap hebben. God wil zijn kerk niet bouwen op mensen die zichzelf roemen, die vol zijn van zichzelf, die zichzelf geweldig vinden. Nee God weet dat zijn Koninkrijk alleen maar gebouwd kan worden door mensen die nederig zijn. Mensen die zich bewust zijn van hun kleinheid en hun kwetsbaarheid. Wij kunnen daar denk ik lering uitstrekken, want wij zeggen het Jesaja, Petrus en Paulus nog niet zo gemakkelijk na, dat we klein en nederig zijn. Integendeel, wij verbeelden ons dikwijls nogal wat. We verbeelden ons dat de toekomst van de wereld en van de kerk in onze handen ligt. En als dan het resultaat van al onze inspanningen anders zijn dan wat we ervan gehoopt of verwacht hadden, dan kan ons dat de moed ontnemen.



Ik hoor soms mensen zeggen, en ik voel met hen mee. We hebben onze kinderen laten dopen, leren bidden en ons best gedaan om hen voor te gaan in geloven. We zijn daarin nooit overdreven geweest, maar ze hebben wel gemerkt dat kerk en geloof belangrijk voor ons zijn. Maar onze kinderen zijn afgehaakt. Eerst gingen ze met Kerstmis nog mee om ons geen pijn te doen, maar zelfs dat doen ze al niet meer. En onze kleinkinderen worden niet gedoopt. Zulke geluiden klinken soms ook door in vergaderingen met collega's, met contactgroepen, pastoraatsgroepen en andere werkgroepen in de parochie. We hebben zo ons best gedaan om een aansprekende viering voor te bereiden, mooie liederen uit te kiezen en een goed communie project. Maar desondanks tellen we ieder jaar weer minder mensen die in onze kerken geloof en bezinning willen opdoen. Inderdaad, soms voelen we allemaal met Petrus mee. De hele nacht gezwoegd en niets gevangen.

Lucas 05, 01-11

Lucas 05, 01-11

Als de netten daarna totaal onverwacht barstens vol zijn en gelukkig overkomt ons dat ook wel eens dat je van iets niks meer verwacht en dat het dan allemaal toch ten goede keert. Als dankzij Jezus de netten ineens vol zijn, dan roept Petrus uit, “ga weg van mij Heer, want ik ben een zondig mens”. Zoals ik al opmerkte, we hebben daar moeite mee. Wij verstaan dat al gauw als een uiting van een negatief zelfbeeld. Een groot gebrek aan zelfvertrouwen. Toch moeten we dat nuanceren. Getuigt Petrus hier niet veel meer van het besef dat het leven niet onze eigen verdienste is, maar pure genade. Wil hij hiermee niet zeggen dat wij zonder Gods goedheid eigenlijk maar weinig kunnen?

Juist in deze tijd waarin het lijkt dat het lot van de wereld bepaald wordt door mensen en dan met name de rijkste en de machtigste mensen die zichzelf ook nog eens Christenen noemen. Juist nu zou het goed zijn als we onze kleinheid weer beter onder ogen leerden zien. Waar mensen zich bewust zijn dat ze inderdaad maar stof zijn, daar kan het leven weer gezien worden als een geschenk, een genade en dan kunnen dankbaarheid en verwondering een grotere plaats innemen in ons bestaan. Dan kan het zomaar gebeuren dat we met nieuw vertrouwen getuigen van het prachtige geloof dat we samen in handen hebben. En dat er onvermoede dingen gebeuren. Voor de vissers op het meer was die wonderbaarlijke visvangst een bijzonder sterk symbool van wat er kan gebeuren wanneer we Jezus werkelijk toelaten in de boot van ons leven.

Laten wij ons niet ontmoedigen door de tekenen van de tijd en met vertrouwen de netten blijven uitwerpen. Ook op andere momenten en op andere plaatsen dan we gewent zijn. Ook Petrus, Johannes en Jacobus zagen het pas toen zij het over een andere boeg gooiden. Daar is moed voor nodig en vertrouwen dat we het niet alleen hoeven te doen, dat God met ons meewerkt.

Zusters en broeders, de lezingen van vandaag sluiten zo bijzonder sterk aan bij onszelf en ons eigen leven. We zijn christenen, dus proberen we Jezus in woorden en daden te volgen. Maar we zijn niet perfect. Juist dat besef mag ons helpen om Christus te verwelkomen in onze levensboot, ook al lijkt die soms op een krakkemikkig wrak dat net niet zingt. Nee, zinken zullen we niet, want Jezus zal zeggen “wees niet bevreesd, ik ben bij je in goede en in kwade dagen”. Dus werp je net van liefde, vrede en gerechtigheid maar gerust uit. We mogen het samen doen als pelgrims van hoop.


          Amen

Afbeelding: De wonderbaarlijke visvangst

          Schilder Raffaello Sanzio (ca. 1483 - 1520)
          Kunstenaar: Pieter van Aelst

          Afmetingen: ca. 130 x 100 cm
          Datum: ca. 1516-1521
          Te bezichtigen in Vaticaanse Musea, Rome

De wandtapijt schildering ‘Wonderbare visvangst’ is één van de tien wandtapijten door Pieter van Aelst als een kopie van de kartonschilderingen van Rafael.

Jezus heeft bij het meer van Tiberias de menigte toegesproken. Dan vraagt hij aan de visser Simon Petrus, om zijn netten nog eens uit te gooien. De vangst is overvloedig en de boten zijn tot zinkens toe gevuld. We zien ook Simon op z’n knieën voor Jezus.
De kraanvogels in de voorgrond symboliseren de waakzaamheid van de paus, de stad op de achtergrond is Rome zelf. Het meer reflecteert de personages. De felle zon op de geweven versie suggereert een ander tijdstip van de dag dan op Rafaëls karton. Ook de planten op de voorgrond zijn door de wevers toegevoegd.

Jesaja 6, 1-2a. 3-8

          Roepingsvisioen van Jesaja
In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoge en verheven troon. De sleep van zijn mantel vulde heel de tempel. Serafs stonden boven Hem opgesteld, elk met zes vleugels: twee om het gelaat te bedekken, twee om de voeten te bedekken, twee om te vliegen.
Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer van de machten; en heel de aarde is vol van zijn heerlijkheid.’ De deurpinnen in de dorpels schudden van het luide geroep en de tempel stond vol rook. Ik zei: ‘Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen, ik woon onder een volk met onreine lippen en ik heb met eigen ogen de koning, de Heer van de machten gezien!’ Maar één van de serafs vloog op mij af met een gloeiende* kool, die hij met een tang van het altaar had genomen, hij raakte er mijn mond mee aan en sprak: ‘Zie, nu dit uw lippen heeft aangeraakt, is uw zonde verdwenen, en uw schuld bedekt.’ Daarop hoorde ik de stem van de Heer: ‘Wie zal Ik zenden, wie zal in onze naam gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, zend mij.’

1 Korintiërs 15,1-11

          De opstanding van Christus

Broeders en zusters, ik wijs u nog eens op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u hebt aanvaard, waarop u gegrondvest bent en waardoor u ook gered wordt, tenminste als u zich houdt aan de bewoordingen waarin ik het u verkondigd heb; anders zou u het geloof zonder nadenken hebben aanvaard. In de eerste plaats heb ik u doorgegeven wat ik zelf als overlevering heb ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de Schriften, en dat Hij begraven is, en opgestaan op de derde dag, volgens de Schriften; en dat Hij is verschenen aan Kefas en daarna aan de twaalf. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie de meesten nog in leven zijn; sommigen echter zijn gestorven. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan alle apostelen. Het laatst van allen, als aan een misgeboorte, is Hij ook verschenen aan míj. Ik ben immers de minste van de apostelen, niet waard om apostel te heten, want ik heb de kerk van God vervolgd. Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade voor mij is niet vruchteloos geweest. Ik heb harder gewerkt dan alle anderen; dat wil zeggen, niet ik, maar de genade van God met mij. Maar zij of ik, wat maakt het uit? Dit verkondigen wij, en dit hebt u geloofd.

Lucas 5,1-11

          Roeping van enkele vissers
Toen Hij aan het meer van Gennesaret stond en de mensenmenigte zich om Hem verdrong om het woord van God te horen, zag Hij twee boten bij het meer liggen. De vissers waren van boord gegaan en spoelden de netten. Hij stapte in een van die boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje van het land af te varen. Hij ging zitten en vanuit de boot gaf Hij de mensen onderricht. Toen Hij uitgesproken was zei Hij tegen Simon: ‘Vaar nu het meer op naar diep water. Daar moeten jullie je netten uitwerpen.’ ‘Meester,’ antwoordde Simon, ‘de hele nacht hebben we ons al afgetobd zonder iets te vangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.’ Dat deden ze en ze vingen zo’n massa vis dat hun netten ervan scheurden. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Die kwamen, en beide boten vulden ze tot zinkens toe. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij op z’n knieën voor Jezus en zei: ‘Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens.’ Want schrik had hem, en allen die bij hem waren, bevangen, vanwege de vissen die ze samen gevangen hadden. Zo verging het ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Maar Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang. Voortaan zul je mensen vangen.’ Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Hem.

Archief preken